Illustratie bijeenkomst Cafe de Ruimte (2014)

Hoe versterken we communicatievaardigheden van inwoners vóór de Omgevingswet er is?

In 2021 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking.  Een veelbelovende wet die van zesentwintig wetten en honderden regelingen één wet maakt. Een juridisch huzarenstukje dat het voor overheden, inwoners en bedrijven een stuk eenvoudiger moet maken om plannen gerealiseerd te krijgen. Het gaat dan vooral om plannen op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur en milieu, samengevat in het woord ‘omgeving’. Dat stelt niet alleen eisen aan die overheden, maar ook aan de inwoners. Hoe helpen we hén op weg? Want als zij met een initiatief komen, zijn zij ook zélf verantwoordelijk voor de communicatie over hun plan.

“De wet biedt meer ruimte voor particuliere ideeën”, zegt de Rijksoverheid over deze nieuwe wet. “Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. De houding bij het beoordelen van plannen is ‘ja mits’ in plaats van ‘nee tenzij’. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen”.
Daar kan ogenschijnlijk niemand tegen zijn.

En toch zit er nog wel een adder onder het gras. Want die ‘ja mits’ betekent dat er bij de beoordeling van plannen met een soort meetlat wordt gewerkt. Soms heet die meetlat een ‘standaard’ of een ‘kader’. Steeds meer overheden zijn inmiddels bezig met het ontwikkelen van hun eigen kaders, zodat straks voor alle plannenmakers duidelijk is hoe hun plannen gewogen gaan worden als ze bij de vergunningaanvraag zijn beland. En ‘participatie en communicatie’ zijn belangrijke onderdelen van deze meetlat.

Langs de meetlat

Hoe ziet zo’n meetlat er uit voor de communicatie? We beschikken al over wat voorbeelden uit de praktijk. Het is goed om te zien dat overheden bij het ontwikkelen van die meetlat vaak inwoners en organisaties betrekken. Beter zelfs. Voorbeelden zijn onder andere te vinden op de –overigens fijne en rijk gevulde– website Aan de slag met de Omgevingswet. Mijn ‘eigen’ gemeente Delft heeft bijvoorbeeld de meetlat ‘Delfts Doen’ al grotendeels af en toetst nu in de praktijk hoe die werkt, aan de hand van actuele cases.

Illustratie aanpak Delfts Doen
De aanpak Delfts Doen in beeld

In het algemeen zie je dat de meetlat bestaat uit een aantal stappen die iedere plannenmaker geacht wordt te doorlopen. Het begint vaak met een korte beschrijving van je idee of plan. Vervolgens moet je in kaart brengen met welke regelgeving je te maken krijgt bij de ontwikkeling en uitvoering van je plan. Je brengt daarna in kaart wie allemaal belanghebbend zijn bij je plan, en gaat daarmee in gesprek. Je wisselt ideeën en opvattingen uit en probeert tot afspraken te komen. De voors en tegens leg je vast, als onderdeel van je voorstel. Je werkt je plan verder uit en legt de uitgewerkt versie nog een keer voor bij de belanghebbenden. Je maakt een verslag van dit gesprek, voegt dit toe bij je eindvoorstel en dient daarna je plan in voor een eventuele vergunningaanvraag in het kader van de Omgevingswet.

Inwoners en bedrijven zélf verantwoordelijk communicatie

Inwoners en bedrijven zijn dus ook zélf verantwoordelijk voor de communicatie over hun plan. De overheid verschuift deze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk naar de plannenmaker. Aan de ene kant terecht; wie wat wil bereiken moet daar ook moeite voor doen. Aan de andere kant zit daar een punt van zorg. Zijn die plannenmakers daar klaar voor?

Voor ik mijn zorg verder uitwerk, heb ik eerst nog wat goed nieuws om te delen. Het mes snijdt immers aan twee kanten. Als de overheid een communicatiemeetlat ontwikkelt voor plannenmakerij vanuit de Omgevingswet, dan moet die overheid zich daar zelf óók aan houden. En dat is maar goed ook. De overheid zal ook na invoering van de Omgevingswet in veel gevallen nog steeds zélf het ‘Hoofd Plannen Maken’ zijn. Ik verklap geen geheimen als ik zeg dat steeds meer beleidsmakers en projectleiders worden aangesproken op het feit dat ze het participatie- en communicatieproces met de omgeving onvoldoende hebben doorlopen. Soms zelfs helemaal niet. Dat is niets nieuws en van alle tijden, maar de nieuwe Omgevingswet biedt straks wel criteria voor dat proces,  die zijn immers verankerd in die wet. De vrijblijvendheid gaat ervan af. Dat kan een aanleiding zijn om de communicatiekracht bij de overheid te versterken.

De meeste beleidsmakers en projectleiders snappen echt wel dat ze de omgeving moeten betrekken bij hun plannen. Soms zien en voelen ze dat zelfs eerder dan hun communicatieafdeling. Maar ik zie ook dat ze daarbij nog heel vaak de klassieke weg kiezen. De weg van –letterlijk– de minste weerstand. “We moeten niet teveel overhoop halen” hoor ik vaak wanneer ik samen met beleidsteams aan de slag ben met bijvoorbeeld een krachtenveldanalyse en een passende communicatieaanpak. Een andere klassieker uit de praktijk is de bijeenkomst als doekje voor het bloeden. “Dit gaat te veel tijd kosten, laten we gewoon een bijeenkomst organiseren, dan hebben we in ieder geval iedereen de kans gegeven om er iets van te vinden”.
Natuurlijk kosten participatie en communicatie tijd en geld. Maar dat mogen we na invoering van de Omgevingswet niet de doorslag laten geven wanneer je als overheid ook de ‘beoordelaar van de communicatie van derden’ bent. Dergelijke argumenten kan de overheid dus zelf niet ook meer gebruiken. Dat is het goede nieuws: de Omgevingswet maakt dat de overheid kritischer moet zijn op de eigen communicatieaanpak.

Plannenmakers bij de overheid die hun communicatiemogelijkheden willen vernieuwen en gespreksvaardigheden willen verbeteren kunnen terecht bij hun ‘eigen’ communicatieprofessionals. En ook zij weten, dat wie wat wil bereiken daar moeite voor moet doen. En dat is doorgaans niet via de weg van de minste weerstand (zie hiervoor ook het proefschrift Genieten van Weerstand van Guido Rijnja).  Je moet dus weten wat passende en effectieve communicatievormen zijn, rekening houdend met leefstijlen, kenmerken en behoeften van de mensen die we tegenkomen in het proces. Je zult zien dat er dan een grote vormvariatie gaat ontstaan, die eerder ook al werd bepleit door Marije van den Berg op dit platform. Ik voeg daar graag de Factor-C aan toe als werkwijze. Die biedt een fijne kapstok voor het tijdig voeren van het communicatiegesprek in de organisatie. Daarmee komt de vormvraag ook op tafel, maar dan wel gekoppeld aan de participatieaanpak die je voor ogen hebt. Op Communicatierijk is overigens de de nieuwe leidraad Factor-C voor communicatieprofessionals beschikbaar.

Een plan en dan?

Tot zover de ambtelijke plannenmakers en hun communicatiecollega’s. Hoe zal dat gaan met particuliere plannenmakers? Ook zij gaan uiteraard te maken krijgen met dit soort vormvragen. De overheid zal toetsen of ze, voorafgaand aan hun vergunningaanvraag, een passend communicatieproces hebben doorlopen met de omgeving, met de bekende meetlat ernaast. En daar zit mijn punt van zorg. Van ambtelijke plannenmakers mag de professionaliteit worden verwacht dat ze het proces met de omgeving zorgvuldig doorlopen. En als ze dat lastig vinden helpt de afdeling Communicatie hen daarbij. Voor inwoners is dit echt andere koek. Ik zie bij de aanloop naar de Omgevingswet dat er tot nu toe veel tijd en energie wordt gestoken in het klaarstomen van de eigen organisatie voor deze nieuwe wet en bijbehorende communicatie. Maar hoe zit dat met inwoners? Stomen we die wel in voldoende mate klaar voor de Omgevingswet? Mijn indruk is van niet. Gelukkig is er nog tijd om daar wat aan te doen.

Uiteraard zullen sommige inwoners ook zonder hulp met de nieuwe richtlijnen uit de voeten kunnen. Dat zijn de goed opgeleiden, de inhoudelijke specialisten, de mondigen, de netwerkers, ervaren in zaken doen met de overheid en het bedrijfsleven. Deze mensen zullen zich de meetlat en kaders misschien nog wel eigen kunnen maken. Het zijn de mensen die karren kunnen trekken. En een zekere mate van professionaliteit is óók nodig om een initiatief van inwoners tot een goed einde te brengen. Maar niet iedereen beschikt daar over.

Ik kom vaak mensen tegen die de weg naar de overheid niet (meer) weten te vinden. Die al moeite genoeg hebben om het hoofd boven water te houden. Die wanneer ze een plan hebben het niet zien zitten om met hun buren in gesprek te gaan, omdat ze al jarenlang een slechte verstandhouding met hun buurt hebben of schroom voelen om dit te doen. Die niet opgewassen zijn tegen weerstand. Die wel degelijk goede ideeën hebben, maar geen plannen kunnen schrijven, of er de tijd en het geld niet voor hebben. Hoe gaan we ervoor zorgen dat iedereen, dus ook deze mensen, de vruchten kunnen plukken van de Omgevingswet? Dat ook hun belangen en ideeën worden gehoord? We moeten zien te voorkomen dat er een tweedeling ontstaat van meedoeners en buitenstaanders. Een effect dat wel degelijk kan optreden, als we de onderzoekers van het rapport ‘Mattheüs in de buurt’ mogen geloven.  De overheid heeft in het kader van de Omgevingswet een belang –en misschien ook wel de plicht– om de ‘communicatie- en participatievaardigheden’ van inwoners te versterken. Een prachtige opdracht, waar meer aandacht aan besteed mag worden de komende tijd.

Een spannende kwestie: wie helpt de inwoner?

Wat overheden zich moeten afvragen is: wie moet degene zijn die inwoners gaat helpen met hun communicatie en het tot een goed einde brengen van hun plan? Diezelfde overheid? Maar die is een van de belanghebbenden. En niet zomaar een, want wanneer het plan klaar is staan de initiatiefnemers bij diezelfde overheid met hun vergunningaanvraag. De overheid toetst of het (communicatie)huiswerk op orde is. En ze toetst ook aan de belangen van de overheid zelf –het algemeen belang. Om deze toetsing zorgvuldig te kunnen doen –uiteraard volledig transparant– moet de overheid de handen vrijhouden. Dat is nog best een spannende kwestie.

Wat wel kan is dat we dezelfde aanpak kiezen als binnen de overheid. We zouden inwoners kunnen opleiden en hen de ervaring geven die nodig is om daarna zelf aan de slag te kunnen. Als dat lastig is, of op praktische bezwaren stuit, zouden ze een ‘buddy inwoner’ kunnen inschakelen die samen met de initiatiefnemers het communicatieproces voor het plan in goede banen leidt. Dit zou ook kunnen leiden tot nieuwe netwerken en contacten in de gemeente.

Het sociale domein leidt de weg

Binnen het sociale domein zie je zulke initiatieven al volop ontstaan, met verrassend mooie resultaten. Inwoners kunnen elkaar een flink eind op weg helpen. Een mooi voorbeeld van zo’n aanpak is Zorg Verandert, waar mensen workshops kunnen volgen om hun eigen zorgvraag in kaart te brengen om daarna hun zorgplan op te stellen. Via gesprektafels helpen inwoners elkaar vervolgens verder.

Een ander voorbeeld is de Doe-activiteit van Werkwaardig. Daar worden werkgevers en werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt, in dit geval statushouders, aan elkaar gekoppeld. Ze ondernemen samen een activiteit die –ogenschijnlijk– niets te maken heeft met het vinden van werk. In dit geval werden er teams geformeerd die samen gingen trainen voor een hardloopwedstrijd. Tachtig procent van de deelnemende statushouders heeft daarna werk gevonden. De kern van het succes zit in het feit dat je inwoners aan elkaar verbindt, zodat ze elkaar verder kunnen helpen. Daar is soms een zetje bij nodig. We kunnen bij de Omgevingswet dus waardevolle lessen trekken uit de eerdere decentralisaties in het sociale domein en daarop voortborduren.

De overheid kiest vaak een faciliterende rol, bijvoorbeeld door trainingen aan te bieden of een platform te creëren waar inwoners elkaar op een vraag kunnen vinden. Werkwaardig bood zo’n platform. De overheid kan ook subsidies verstrekken, zoals in het geval van Zorg Verandert, en zo een ondersteunend programma mogelijk maken. Iemand zal het initiatief moeten nemen en tijd en geld moeten besteden om deze professionalisering in gang te zetten. En dat kan natuurlijk prima de overheid zijn.

Laten we samen gaan experimenteren

Met de gemeente Zwolle hebben we met deze vraag geëxperimenteerd en de deelnemers aan een training met zo’n opdracht aan het werk gezet: “Ontwerp een training die inwoners klaarstoomt voor de communicatievraag die op hen afkomt.” De Factor-C instrumenten konden als basis gebruikt worden, maar dat was geen verplichting. De uitkomst was ronduit geweldig. Er lag in no-time een prachtige opzet voor een compacte training voor inwoners. De volgende stap zou natuurlijk zijn om ook inwoners te vinden die deze training op maat willen ontwikkelen, testen en verder brengen. Met de lokale meetlat of kaders als basis. En om er vormvarianten in aan te brengen natuurlijk.

Ik ben benieuwd welke overheden hier nu al mee aan de slag zijn in het kader van de Omgevingswet. Dat hoor ik natuurlijk graag. De komende jaren hebben we nog de tijd om mensen binnen én buiten de overheid klaar te stomen voor de eisen die de Omgevingswet aan de communicatie en participatie stelt. Ik maak mij daar graag hard voor.

De foto  Cafe de Ruimte is gemaakt door Sebastiaan ter Burg – CC BY 2.0.

mm

Carola is eigenaar van adviesbureau Publiec en werkt op het snijvlak van beleid, organisatie en communicatie. Zij is (mede)ontwikkelaar van Factor C voor alle overheden. Factor C is een methodiek die binnen de overheid veel wordt gebruikt voor omgevings- of opgavegericht werken en om initiatieven van inwoners te bevorderen.

7 Shares

4 reacties

  1. Mooi vraagstuk, want ‘van wie’ is die communicatie dan? Wiens belang, wiens doelen? Het deed me denken aan mijn allereerste baan, bijna 40 jaar geleden, waar ik vanuit een stedelijke welzijnsinstelling bewonersgroepen ondersteunde bij hun eigen belangenbehartiging. In die tijd stond je als bewoners lijnrecht tegenover de gemeente en samen met ambtenaren een biertje drinken na de vergadering was per definitie al verdacht en dus not done. We schakelden sociale advocaten in, via een toevoeging door de overheid betaald. Ik verzorgde toen bewoners scholingen, compleet met rollenspellen en maakte toolboxen, scholingsmappen et cetera. We hielpen met het stencillen van hun eigen bewonersbrieven, leerden hen hoe je een interview schrijft, hoe de gemeentelijke besluitvorming werkt en hoe je in de krant komt. enz enz. Opbouwwerk had zijn bloeiperiode in die tijd. Het woord ‘eigen kracht’ bestond nog niet, maar het werk was alleen maar empowerment. Via welzijnswerk gefinancierd door de overheid, maar inhoudelijk volstrekt onafhankelijk van die overheid. Natuurlijk moeten we dit zien in de politieke context van die tijd, begin 80-er jaren. Maar kunnen we er wat van leren? Het is niet zo raar dat opbouwwerk weer aan een revival bezig is, nu onder de naam social work. Het zou een denk exercitie waard zijn om te kijken of het huidige welzijnswerk een aanknopingspunt kan zijn. Wat mij opvalt is dat de opbouwwerk ‘helden’ (die hun roots ook in die jaren 80 hebben) de afgelopen jaren als zelfstandig adviseur met fantastische werkvormen door overheden zijn ingehuurd om de participatieprocessen vorm te geven. Maar dat bleef daarmee wel het proces en succes van de overheid. Om bewoners in hun processen van participatie en communicatie te kunnen laten schitteren, is dus van binnenuit een ondersteuningsbeweging nodig. Ik vraag me af of welzijnsland die beweging al voldoende heeft gemaakt. Ik heb daar dit voorjaar een intensief kijkje in de keuken gehad. Misschien zijn er compleet andere bewegingen nodig en kansrijker. Want ook veel welzijnsorganisaties zijn instituties geworden die via een aanbesteding ‘mogen’ uitvoeren wat de gemeente hen opdraagt.
    Mfff, boeiend. Ik denk graag mee door hierover!

    1. Hoi Marjan,
      We kunnen er zeker waardevolle lessen uit trekken voor de uitdagingen van nu. Want hoewel de samenleving anders in elkaar steekt is de basisvraag hetzelfde. En hoe mooi zou het zijn asl we ons daar wat meer mee gaan bemoeien vanuit het communicatievak?

  2. Het opbouwwerk/community buildingwerk is zéker een aanknopingspunt, denk ik, en voor meer dan alleen die communicatie. ABCD (http://www.nurturedevelopment.org/about-abcd/) bijvoorbeeld gaat als methode uit van het versterken van de gemeenschap, wat nog meer is dan ‘communiceren over je idee/plan’, maar gaat over het bouwen van gemeenschappen die verantwoordelijkheid kunnen dragen; als je daar als overheid aan wilt werken, ben je pas echt de lokale democratie aan het versterken, en dus de basis voor wat er nodig is om de doelen van de omgevingswet te bereiken. Veel opbouwwerkers aanstellen lijkt mij een heel makkelijke manier om te werken aan die humuslaag in de samenleving.

    (Enne: wat een fijn prikkelend artikel, Carola!)

    1. Ik wilde me in alle bescheidenheid tot het communicatie- en participatievraagstuk in de Omgevingswet beperken, maar er ligt inderdaad een breder vraagstuk onder over het versterken van communities. Het zal al een hele uitdaging worden om inwoners meer communicatiehandvatten en concrete steun te bieden. Laat de Omgevingswet hier een mooie aanleiding voor zijn. Het mooie van deze wet is namelijk dat zo’n beetje iedere inwoner ermee te maken krijgt. Het is dus een kans om inwoners met verschillende kwaliteiten aan elkaar te verbinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *